KSD
TIP 5
WOORDBETEKENIS
Voor (diepe) woordenschatverwerving en -kennis is kwaliteitsvolle interactie in de klas rond nieuwe of onbekende woorden cruciaal. Het verduidelijken van woordenschat is door gezamenlijke betekenisopbouw het krachtigst enleerzaamst.
BETEKENISONDERHANDELING
-
Onderhandel klassikaal of in kleinere groepen over de betekenis van woorden.
-
Onderhandel door vraag en antwoord om tot de juiste betekenis of definitie te komen. Blijf feedback geven tot de betekenis goed zit bij iedereen.
-
Stel vragen die het denken stimuleren om tot een beter begrip te komen.
-
Vraag leerlingen om te parafraseren (in eigen woorden te zeggen) of eventueel te vertalen in een andere taal. Of pas dit principe zelf toe wanneer nieuwe woordenschat aan bod komt.
VOORBEELD Wat is “hygiëne”?
- “Niet stinken, mevrouw!” - Dus, iemand die niet stinkt, is hygiënisch? - “Nee, gewoon als die pas gewassen is.” - Wat gebeurt er als je jezelf wast? Wat doe je weg? - “Ah, zweet en vuil.” En wat is dat vuil eigenlijk? - “Viezigheid, bacteriën.” - Dus hygiëne is een verzamelnaam voor alles wat je doet om een goede gezondheid te behouden en om bacteriën en ziektekiemen te voorkomen.
- En, denk eens na, heeft dat enkel met ons lichaam te maken? Waar heb je nog hygiëne? (voeding of taal...)
WOORDONDERSTEUNING
Beeld zegt meer dan duizend woorden!
Bij het leren van een taal helpt beeldmateriaal om woorden beter te begrijpen en te onthouden. Voeg daarom altijd een duidelijke afbeelding toe bij nieuwe begrippen of thema’s. Het maakt de uitleg concreet en aantrekkelijk voor leerlingen.
Online woordenboek als redder in nood
Stimuleer leerlingen om een betrouwbaar online woordenboek te gebruiken. Het helpt hen niet alleen om betekenissen te checken, maar ook om uitspraak en voorbeeldzinnen te zien. Zo leren ze zelfstandig en versterken ze hun taalgevoel.
BETEKENISONDERHANDELING
DOEL Het vastzetten van woordenschat – Woordenschatuitbreiding
VOORBEELD
Op je bank vind je een woordkaartje en een wisbordje. Bekijk je woord (toon het niet aan je buurman- of vrouw). Noteer 3 woordenop je wisbordje die te maken hebben met jouw woord. Draai je wisbordje om en wacht op verdere instructies. Denk goed na over de woorden die je kiest: de rest van de klas moet jouw woord kunnen raden!
VOORBEELD
Op de kaartjes staan allemaal vaktaalbegrippen uit de les NAAM VAK. Zulke woorden komen vaak voor in examenvragen.
Ronde 1: Woordkaartjes sorteren in duo’s: Welke woorden hebben iets met elkaar te maken? (5 min.)
Ronde 2: Voorlopig resultaat voorstellen aan een ander duo (2 x 2 min.)
Ronde 3: Eigen rangschikking in duo’s afwerken of bijsturen (3 min.)
Nabespreking
SCHOOLTAALWOORDEN
Startopdracht schooltaalwoorden (ook bruikbaar voor andere woordenschat)

Aandachtspunten bij de kennis of de verwerving van (nieuwe) woorden:
-
Ken het belang van context: activeer voorkennis, geef voorbeelden; leg de link met een beroep, de actualiteit, interesses en het geheel.
-
Ken het belang van taalsteun: vb. visuele steun (afbeelding, schrijfkader, mindmap, schema)
-
Onderschat niet hoeveel moeite het kost voor leerlingen om urenlang interactie te volgen: één lesuur = 8000-10000 woorden. Schep als leerkracht voldoende taalruimte met activerende didactiek om deze overvloed te verwerken; ga er niet van uit dat alles door iedereen vanzelf begrepen wordt.